Klein geluk
Door Jasper Gramsma
Mijn eerste schreden in het sociale leven van Fleurance zet ik bij Au Vieux Four, de dorpsbakker.
Jong en oud kust elkaar, schudt handen, sopt samen croissants in de koffie en stapt uit de rij om de laatste roddels uit te wisselen. En dat allemaal in de aroma’s van boter en suiker, egalité en fraternité.
Daar wil je bij horen.
Maar ik ben er inmiddels achter dat je over de nodige bagage moet beschikken om een rol in deze nostalgische film te bemachtigen. Daarbij gaat productkennis boven goede manieren – of misschien betekenen beide wel hetzelfde. Want al bonjour je nog zo uitbundig, met de verkeerde bestelling val je genadeloos door de broodmand.
Ja, ik kende heus het bestaan van de militante ‘chocolatine-beweging’ in Zuidwest-Frankrijk, maar je vervalt nu eenmaal wel eens in slechte gewoonten.
Dus bestelde ik op een dag per abuis een pain au chocolat, zoals het broodje in de rest van de wereld heet. Nou, de blikken van minachting waren niet van de lucht; ik was weer helemaal terug bij af.
Sindsdien houd ik de nieuwsberichten over deze taaloorlog (ze verschijnen dagelijks, ook in serieuze media) nauwlettend in de gaten.
Waarvan ik me vanaf dag één bewust ben, is dat je moet laten zien dat je een fijnproever bent. Een ordinaire baguette bestel je niet, je vraagt om een ‘tradition’, een stokbrood zonder additieven.
Toch brachten de klanten van Au Vieux Four me van mijn à propos. De een na de ander bestelde een ‘petit bonheur’ en ging naar huis met ongeveer hetzelfde brood als ik, zij het een absoluut fraaier, goudkleurig exemplaar.
“In deze petits bonheurs, oftewel kleine gelukjes,” filosofeerde ik vrijuit in de richting van man M, “doen ze vast iets minder dan de voorgeschreven hoeveelheid deeg. Je betaalt een heel brood en van de rest maken ze stokbrood voor het goede doel. Het is tenslotte een behoorlijk socialistisch dorp.”
Tevreden over deze gelaagde hersenkronkel knabbelde ik aan mijn eigen zwartgeblakerde stokbroodkontje, maar het raadsel bleef op zijn beurt aan mij knagen.
Navraag – niet in de bakkerij zelf, stel je voor! – leerde snel dat de petit bonheur met nobelheid niets van doen heeft: het blijkt gewoon de tradition van het lokaal geproduceerde meel te zijn.
En hoe komen die broden van andere klanten dan aan hun begeerlijke uiterlijk?
“Ai, je moet natuurlijk wel om een niet te doorbakken brood vragen,” tipte de anonieme bron.
Toch bestel ik nog elke dag zo’n petit bonheur zonder extra wensen. En elke dag krijg ik weer een gecremeerd brood toebedeeld. Het risico op een nieuwe faux pas kan ik me in deze fase van de integratie niet veroorloven. Eerst moet ik overal antwoord op hebben.
In de tussentijd troost ik me met de gedachte dat ik het brood eet dat anderen laten liggen. Voor het goede doel.




